Van verleden naar toekomst: Democratie, diversiteit en cultureel erfgoed-in-wording

From DiVersions
Revision as of 16:54, 16 November 2020 by Sarah (talk | contribs)
Jump to navigation Jump to search


Deze tekst is een herpublicatie van het artikel Rutten, K. en Biesta, G.J.J. (2015). Van verleden naar toekomst. Democratie, diversiteit en cultureel erfgoed-in-wording. Volkskunde, 3: 439-456. Het artikel maakt deel uit van een themanummer van het tijdschrift Volkskunde rond Immaterieel erfgoed en diversiteit dat uitgegeven werd in samenwerking met tapis plein, de huidige Werkplaats Immaterieel Erfgoed. De focus van het themanummer was de zoektocht naar wat “diversiteit” kan betekenen in een context van immaterieel cultureel erfgoed. Het artikel is een belangrijke inspiratiebron geweest voor onze gesprekken doorheen het traject van DiVersies en wordt daarom mee in deze publicatie opgenomen. Het artikel werd in zijn oorspronkelijke vorm overgenomen met enkele aanvullingen en contextualiseringen toegevoegd aan de voetnoten.


Van verleden naar toekomst. Democratie, diversiteit en cultureel erfgoed-in-wording.

Kris Rutten en Gert Biesta

Het uitgangspunt voor dit themanummer van Volkskunde rond Immaterieel erfgoed en diversiteit is dat - zoals beschreven in de Call for Papers - “het zoeken naar duurzaam samen-leven met respect en waardering voor culturele en maatschappelijke diversiteit vandaag de dag meer dan ooit aan de orde is”[1]. De UNESCO conventie van 2003 voor de bescherming van immaterieel erfgoed stelt dat deze vorm van erfgoed een belangrijke bron is van culturele diversiteit en tegelijkertijd een waarborg is voor duurzame ontwikkeling.[2] De UNESCO conventie – die in 2010 ook de basis vormde voor een ministeriële visienota rond immaterieel cultureel erfgoed in Vlaanderen[3] – vertrekt vanuit de paradox dat globalisering en sociale veranderingen enerzijds aanleiding dreigen te geven tot het verdwijnen van immaterieel cultureel erfgoed, maar dat anderzijds de globalisering door het toegenomen contact met andere culturen net ook kansen biedt om diversiteit in alle rijkdom te ervaren[4]. Omtrent immaterieel cultureel erfgoed zien we zowel in de UNESCO-conventie als in de Vlaamse visienota een gelijkaardige missie: “In het immaterieel cultureel erfgoed is de culturele diversiteit van de wereld zichtbaar. Een beleid voeren en positieve maatregelen nemen, geeft garanties op een duurzame ontwikkeling. Culturele diversiteit vertaalt zich evenzeer in ‘Vlaanderen als (eeuwenoud) kruispunt van culturen’. Kennis over of kennis maken met het erfgoed van groepen en gemeenschappen in en buiten Vlaanderen is gemeenschapsvormend”[5]. Zowel internationaal als in Vlaanderen worden inspanningen geleverd om het draagvlak rond immaterieel cultureel erfgoed te vergroten en op die manier ook het immaterieel cultureel erfgoed veilig te stellen (bijvoorbeeld door inspanningen op het vlak van digitalisering).[6]

Deze toenemende aandacht voor (immaterieel) cultureel erfgoed en de relatie met identiteit, sociale cohesie (‘samen-leven’), burgerschap en diversiteit komt ook naar voren in Horizon 2020, een grootschalig onderzoeksprogramma van de Europese Unie[7]. Een belangrijke programmalijn betreft de rol die het culturele erfgoed kan spelen in het creëren van Europese verbondenheid met als specifieke doel het ‘overwinnen’ van wat wordt aangeduid als de huidige EU-crisis.[8] Het doel van deze programmalijn is onder andere om te onderzoeken hoe kritische reflectie op de historische en normatieve wortels van de culturele en democratische praktijken en instituties van Europa kan bijdragen aan de vorming van een hedendaagse Europese identiteit. Daarmee sluit het aan bij een trend in recent theoretisch en empirisch onderzoek naar cultureel erfgoed waarin identiteit centraal staat en waarbij vaak wordt vertrokken van de premisse dat omgang met erfgoed kan bijdragen aan het leren kennen en begrijpen van andere culturen en dat op die manier het samenleven-in-pluraliteit ondersteund en bevorderd kan worden.[9] [10]Dit impliceert een maatschappelijk project dat afhankelijk is van de vorming van een gedeelde identiteit, middels het ‘begrijpen’ van andere culturen, en waarbij de relatie met erfgoed wordt gezien als een belangrijke ‘motor’ voor dit proces.

In deze bijdrage willen we deze premisse nader analyseren, vooral om zichtbaar te maken wat dit impliceert voor de omgang met immaterieel cultureel erfgoed. We stellen daarbij de vraag of het samenleven-in-pluraliteit inderdaad gebaseerd dient te zijn op de vorming van een gedeelde identiteit en sociale cohesie of dat er een andere uitdaging ligt om democratisch samenleven-in-pluraliteit vorm te geven. In die context stellen we ook de vraag of de omgang met cultureel erfgoed louter op het verleden gericht zou moeten zijn, of dat er daarnaast ook aandacht besteed moet worden aan de manieren waarop nu aan het erfgoed van de toekomst gewerkt kan worden[11].

In wat volgt gaan we eerst dieper in op de groeiende tendens om cultureel erfgoed te ‘instrumentaliseren’ voor maatschappelijke doeleinden, vooral in relatie tot het vraagstuk van samenleven-in-pluraliteit. Vervolgens zullen we een aantal kanttekeningen plaatsen bij de manier waarop cultureel erfgoed vanuit het EU-beleid wordt ingezet om de huidige EU-crisis aan te pakken om van daaruit tot een kritische beschouwing te komen over zowel het potentieel als de beperkingen van het inzetten van (immaterieel) cultureel erfgoed voor maatschappelijke doeleinden, vooral met betrekking tot kwesties van pluraliteit en democratie. Op basis daarvan zullen we vervolgens beargumenteren dat de focus niet uitsluitend gericht zou moeten zijn op het verleden maar ook op de toekomst, dat wil zeggen op het immaterieel cultureel erfgoed-in-wording. Daarbij komt vooral de vraag in beeld hoe omgang met de creatie van erfgoed-in-wording een bijdrage kan leveren aan een democratisch project dat gebaseerd is op identificatie en pluraliteit. In die context zullen we ook kort ingaan op het potentieel van hedendaagse artistieke praktijken voor het tot stand brengen van (en het genereren van kritische reflectie op) het immaterieel cultureel erfgoed van de toekomst.

Het instrumentaliseren van cultureel erfgoed

De centrale doelstelling van de oproep REFLECTIVE-2-2015: Emergence and Transmission of European Cultural Heritage and Europeanisation[12] in het kader van het Horizon 2020 onderzoeksprogramma is om onderzoek op te zetten naar de rol die cultureel erfgoed kan spelen in het creëren van een gevoel van Europese verbondenheid en het overwinnen van de huidige EU-crisis: “Cultural heritage and values are at the heart of our capability of overcoming the current EU crisis which could well provide the stimulus for revising EU policies so as to provide a solid basis for the emergence of a truly European cultural heritage and for passing it to future generations”[13]. In dit onderzoeksprogramma wordt cultureel erfgoed gezien als een cruciaal hulpmiddel en bindmiddel voor collectieve herinnering en voor de gemeenschapsvorming van groepen, alsook voor de persoonlijke ontwikkeling van de burgers van de EU: “In all its forms, cultural heritage, values, institutions and language are crucial for the collective memories and sociability of groups but also for the personal development of citizens, enabling them to find their place in society”[14].

Soortgelijke ideeën zijn ook terug te vinden in de Council Conclusions of 21 May 2014 on Cultural Heritage as a Strategic Resource for a Sustainable Europe[15]. In dit rapport wordt gesteld dat cultureel erfgoed van groot belang is voor Europa en een cruciale component van het Europese project. Naast de mogelijke economische voordelen (bv. voor toerisme) wordt cultureel erfgoed vooral gezien als een bron van sociaal en symbolisch kapitaal aangezien het de mogelijkheid heeft om burgers te inspireren en participatie aan het openbare leven te stimuleren en om diversiteit en interculturele dialoog te bevorderen door bij te dragen aan een gevoel van verbondenheid met een grote gemeenschap, met als gevolg een beter begrip van en respect voor andere volkeren en culturen: “[C]ultural heritage plays an important role in creating and enhancing social capital because it has the capacity to … promote diversity and intercultural dialogue by contributing to a stronger sense of ‘belonging’ to a wider community and a better understanding and respect between peoples”[16]. Aandacht voor cultureel erfgoed zou bovendien helpen om sociale ongelijkheid te verminderen, sociale inclusie, culturele en sociale participatie te faciliteren, en ook intergenerationele dialoog en sociale cohesie te bevorderen.

De Raad van de EU roept vanuit dat perspectief de lidstaten en de commissie op om de intrinsieke waarde van cultureel erfgoed te erkennen en het potentieel van cultuur en cultureel erfgoed ten volle te benutten om op die manier een (Europese) samenleving tot stand te brengen die gebaseerd is op democratische, ethische, esthetische en ecologische waarden. Dit laatste is volgens de conclusies van de Raad in het bijzonder van belang in tijden van crisis: “[To] recognise the intrinsic value of cultural heritage and deploy the potential of culture and cultural heritage as a shared strategic resource for developing a society based on democratic, ethical, aesthetic and ecological values, in particular in a moment of crisis[17]. Het rapport van de Horizon 2020 expertgroep voor cultureel erfgoed – Getting cultural heritage to work for Europe[18] (april 2015)legt een gelijkaardige nadruk op de maatschappelijke functie van cultureel erfgoed in het algemeen en benadrukt het belang van een innovatieve inzet van dit erfgoed[19] voor het stimuleren van economische groei, het creëren van jobs, het bevorderen van sociale cohesie en duurzame ontwikkeling.

Deze rapporten, maar ook recente literatuur tonen aan dat cultureel erfgoed op dit moment een centrale rol toebedeeld krijgt als mogelijke oplossing voor een veelheid aan maatschappelijke problemen.[20] De ideeën die in deze rapporten naar voren worden gebracht, roepen niet alleen vragen op over de rol die wordt toebedeeld aan materieel en immaterieel erfgoed, maar ook over de probleemanalyses die aan deze rapporten ten grondslag liggen. Op dit laatste punt gaan we nu nader in. We richten ons daarbij op de Europese context en de idee dat er sprake zou zijn van een ‘crisis’ van het Europese ‘project’.

De Europese crisis als een crisis van de democratie

Volgens diverse auteurs heeft de wereldwijde financiële crisis van 2008 niet alleen een ingrijpende impact gehad op de internationale en de Europese economie, maar heeft deze crisis tegelijkertijd het Europese ‘project’ zelf enorm onder druk gezet, specifiek het Europese democratische project.[21] De economische crisis kan gezien worden als een test van dit project en meer bepaald een test van de democratische waarde van solidariteit.[22] [23]De waarde van solidariteit is uiteraard sterk verbonden met de twee andere bepalende democratische waarden: gelijkheid en vrijheid. Sommige onderzoekers stellen dat de economische crisis de publieke steun voor het Europese project ondermijnt en dat de sterke opkomst van populistische politieke partijen hier een duidelijk bewijs van is.[24] Tsoulakis stelt tamelijk scherp dat de belangrijkste verworvenheden van Europa, namelijk vrede, democratie, mensenrechten en de welvaartstaat bedreigd zijn zolang de economische crisis het ‘monster’ van het populisme blijft versterken.[25]

In een analyse van data van de Eurobarometer polls toont Thomas Risse echter aan dat het niveau van identificatie met de EU juist gestegen is tijdens de Euro crisis en dat - na een achteruitgang in 2010 - het niveau van identificatie met de EU de pre-crisis niveaus van de jaren 2000 in 2013 opnieuw bereikt heeft.[26] In 2013, bijvoorbeeld, gaf 59% van de ondervraagden aan dat ze op zijn minst enige mate van identificatie voelden met de EU en dat slechts 38 % van de ondervraagden zich enkel identificeerden met de eigen natiestaat. Deze bevindingen ondersteunen de dual identity these, namelijk het idee dat EU burgers zich in groeiende mate identificeren zowel met de eigen natie als met Europa, eerder dan dat ze kiezen voor één van beide identiteiten. Wat solidariteit betreft, tonen de data aan dat hoe meer mensen zich identificeren met Europa (als een secundaire identiteit), hoe meer ze bereid zijn om economisch beleid met herverdelende consequenties te steunen. Deze solidariteit is echter niet onvoorwaardelijk. In Duitsland, bijvoorbeeld, is het sterk gerelateerd aan ‘budgettaire discipline’. Risse concludeert dat het gevoel van een Europese identiteit niet volledig achteruit gegaan is tijdens de crisis van de Euro en dat een meerderheid van de Europeanen bereid is om een zekere prijs te betalen voor hun Europese identiteit door solidariteit hebben met andere EU-burgers. Dit impliceert volgens hem dat de Europese politieke gemeenschap meer ‘volwassen’ is dan vele onderzoekers lijken te denken[27], hoewel recente discussies rondom de vluchtelingenproblematiek uiteraard laten zien dat de kwestie van solidariteit binnen en over de grenzen van Europa een complexe en omstreden kwestie blijft.[28]

De stelling is hier niet dat er geen problemen zouden zijn met de staat van democratie in Europa, maar dat de situatie veel te complex is om zomaar te stellen dat de Europese democratie al dan niet ‘in crisis’ is. In een verhelderende analyse van de opkomst van populisme in Europa – inclusief nationalistische vormen van populisme – benadrukt Yannis Stavrakakis het verschil tussen populistische bewegingen die de democratie bedreigen en populistische bewegingen die spreken in naam van de democratische ‘demos’.[29] Dit zijn bewegingen, die in een meer ‘democratische; interpretatie van populisme, effectief proberen om de democratische ‘wil van het volk’ tot uiting te brengen. Stavrakakis betoogt dat het belangrijkste doelwit van deze vorm van populisme de elites zijn die de internationale stromen van geld en informatie beheren. Deze elites bepalen het kader van het publieke debat, en het publieke leven, maar zijn tegelijkertijd de voeling kwijtgeraakt met de ethos van de democratie. In het licht hiervan betoogt Christopher Lasch dat de belangrijkste bedreiging tegenwoordig niet komt vanuit de ‘massa’, maar vanuit de top van de maatschappelijke hiërarchie.[30] Volgens Stavrakakis heeft Europa daarom nood aan een vorm van ‘progressief populisme’, een progressieve democratische beweging die vertrekt van onderuit. Dit populisme moet niet verward worden met rechts/nationalistisch populisme. Terwijl dergelijke krachten ook vaak als populistisch worden afgedaan, zijn ze niet gericht tegen de dominante groepen, maar eerder tegen de maatschappelijk achtergestelde groepen die ze als bedreigend ervaren.[31]

Dergelijke observaties bieden een meer genuanceerde interpretatie van de manier waarop en de mate waarin Europa ‘in crisis’ is, specifiek als het gaat over de crisis van het Europese democratische project. Voor haar legitimering heeft Europa nood aan ruime publieke (‘populaire’) steun, zowel voor het Europese project zelf als voor het ondersteunen van de waarden van vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Stavrakakis stelt terecht dat wat er vandaag de dag op het spel staat, niet zozeer de aan- of afwezigheid is van populistische partijen maar eerder het specifieke democratische of antidemocratische karakter van dergelijke bewegingen. De uitdaging wordt dan wat er gedaan kan worden om identificatie met het Europese democratische project te stimuleren, en specifiek met de waarden van vrijheid, gelijkheid en solidariteit. De analyse van Stavrakakis toont aan dat dit in het bijzonder een uitdaging is in tijden dat Europa zelf niet altijd consequent handelt in lijn met deze waarden.[32]

De vraag die we hierboven centraal gesteld hebben - of (immaterieel) cultureel erfgoed kan bijdragen aan het ‘overwinnen’ van de EU-crisis - dient dus geherformuleerd te worden naar de vraag in welke mate immaterieel cultureel erfgoed kan bijdragen aan het genereren van steun voor en identificatie met Europa (of meer nationale en sub-nationale gemeenschappen) als een democratisch project. Wat deze identificatie met Europa als democratisch project al dan niet impliceert werken in wat volgt verder uit.

Sociale cohesie of democratie?

Zoals we hier boven reeds aantoonden valt het op dat in veel Europese documenten over het maatschappelijke potentieel van cultureel erfgoed, het potentieel voornamelijk gekaderd wordt in functie van ‘sociale cohesie’ (of op basis van gerelateerde termen zoals sociaal kapitaal, integratie, inclusie, verbondenheid en participatie). Daarbij gaat men er van uit dat cultureel erfgoed Europa – of de samenleving in het algemeen – meer samenhangend, geïntegreerd en inclusief kan maken. Zoals hierboven ook reeds gesteld, geldt een zelfde verwachting ten aanzien van immaterieel cultureel erfgoed zoals blijkt uit de UNESCO conventie en de Vlaamse visienota. Het is echter van belang om te benadrukken dat sociale cohesie niet hetzelfde is als democratie. Het eenvoudige argument is dat een samenleving met een hoge mate van cohesie niet automatisch of noodzakelijk een democratische samenleving is, want samenlevingen kunnen samenhangend zijn zonder referentie aan een brede waaier van samenhangende ‘waarden’.[33] [34]Het is enkel wanneer het sociale weefsel van een samenleving gedragen wordt door ‘democratische’ waarden – waarden zoals vrijheid, gelijkheid en solidariteit – dat een samenleving pas echt een democratische samenleving kan zijn.[35]

Voor Europa – en de toekomst van democratie binnen Europa - is de uitdaging dus niet enkel om meer ‘samenhangend’ te worden en daartoe cultureel erfgoed in te zetten. De echte uitdaging is om steun te genereren voor de democratische zaak zelf. Het gaat dus niet zozeer om het vestigen van een gedeelde Europese identiteit maar om positieve identificatie met Europa als een democratisch project. De reden waarom dergelijke steun niet vanzelfsprekend is - maar een voortdurende aandacht en investering vereist - heeft te maken met het feit dat op het meest basale niveau, democratie verwijst naar een manier van samenleven die er van uitgaat dat de pluraliteit en de diversiteit die in de samenleving bestaat in principe ‘wenselijk’ is. Democratie heeft daarom niet zozeer te maken met de expressie en het nastreven van een eigen identiteit, of een eigen opvatting over het goede leven, maar behelst een manier van samenleven in pluraliteit die ruimte laat voor een breed gamma aan verschillende identiteiten en opvattingen. De democratische manier van leven heeft daarom nood aan wat David Marquand omschreven heeft als een zekere discipline en een vorm van zelfbeheersing.[36] Daar waar de democratische waarde van vrijheid het basisrecht uitdrukt van alle individuen om hun eigen invulling te geven aan het goede leven, en daar waar de democratische waarde van gelijkheid benadrukt dat in principe elke opvatting over het goede leven gelijkwaardig is, verwijst de waarde van solidariteit naar de ‘proactieve’ dimensie van democratie, het feit dat samenleven op een democratische manier ook aandacht vraagt voor het welbevinden van anderen. Democratie is, anders gezegd, niet louter een kwestie van de maximalisatie van eigenbelang maar vereist ook een zekere mate van altruïsme, een zekere zorg voor een publieke sfeer waarin ruimte is voor een samenleven-in-pluraliteit.

Democratie heeft in haar basis-betekenis uiteraard ook te maken met een bepaalde vorm van besturen, die kan omschreven worden als een vorm van bestuur van het volk, door het volk en voor het volk. Het is echter van belang om te benadrukken dat niet elke uitdrukking van de wil van het volk daarom automatisch democratisch is.[37] Net daarom bestaat de nood om de nadruk te leggen op de waarden van vrijheid, gelijkheid en solidariteit die aan de basis liggen van de democratische manier van leven. Enkel wanneer de wil van het volk gearticuleerd wordt in relatie tot deze waarden, kan het bestuur van, door en voor het volk als democratisch worden aanzien. Dit punt wordt zeer uitdrukkelijk gemaakt door Chantal Mouffe die stelt dat democratie niet neerkomt op een ‘pluralisme zonder grenzen’, omdat een democratische samenleving diegenen die haar basiswaarden bedreigen niet kan zien als legitieme tegenstanders.[38] Dit wil echter niet zeggen dat de grenzen van de democratische samenleving enkel kunnen afgebakend worden op één enkele manier en dat de democratische ‘orde’ dus binnen deze grenzen vastligt. Mouffe ziet democratie als een ‘conflicterende consensus’ waar er een consensus is over de ethisch-politieke waarden van vrijheid en gelijkheid voor allen, maar waar er een duidelijke dissensus is over hun specifieke interpretatie. De lijn die moet getrokken worden is dus tussen diegenen die deze waarden verwerpen en diegenen die juist door ze te aanvaarden vechten voor conflicterende invullingen van deze waarden.[39]

Mouffe benadrukt bovendien om democratie te benaderen als een historische uitvinding en dus een door en door politiek project met een specifieke voorkeur voor hoe we ons samenleven organiseren.[40] Dit helpt om te begrijpen dat diegenen die oppositie voeren tegen bepaalde democratische waarden daarom niet noodzakelijk irrationeel zijn, maar eerder het democratische project en haar waarden niet onderschrijven. Datgene wat dus op het spel staat in tijden van crisis is een strijd over de waarden die bepalen hoe we als gemeenschap samenleven. De steun voor de democratische zaak moet daarom actief georganiseerd, gesteund en onderhouden worden en kan daarom niet als vanzelfsprekend beschouwd worden. Het gaat hierbij niet zozeer om het promoten en bestendigen van een specifieke identiteit – bijvoorbeeld één gedeelde democratische identiteit – maar om het creëren van identificatie met het democratische project en haar achterliggende waarden. Of het vereist het stimuleren van het verlangen naar de democratische manier van samenleven.[41]

Van identiteit naar identificatie

De term identificatie verwijst naar een actieve doelstelling (identificeren met), eerder dan naar een statische situatie (identiteit). Identificatie met democratie en haar onderliggende waarden is iets dat actief moet bereikt worden en dat tegelijkertijd onderhouden moet worden. Democratie kan niet zomaar als vanzelfsprekend gezien worden, maar vereist voortdurende aandacht, niet in het minst omdat zonder dergelijke aandacht de identificatie met het democratische project kan eroderen of ondermijnd kan worden. Een tweede reden om de term identificatie te gebruiken heeft te maken met het feit dat democratie net te maken heeft met de vraag hoe samenleven mogelijk is gezien het bestaan van verschillende identiteiten en opvattingen over het ‘goede leven’. Deze identiteiten en opvattingen zijn belangrijk voor ons gevoel van ‘zelf’, ons gevoel van locatie, ons gevoel van thuishoren en ons gevoel van verbondenheid. Het punt van democratie is daarom niet om afstand te nemen van dergelijke identiteiten, maar om ze in een ruimere democratische context te plaatsen. Daarom is het de centrale uitdaging van democratisch samenleven om de eigen identiteit te onderhandelen met de ruimere democratische zaak, een onderhandeling die een zekere discipline en zelfbeheersing vereist. Het basisuitgangspunt is dus dat het engagement met democratie niet moet gezien worden als het aannemen van een bepaalde identiteit, maar als een voortdurend proces van identificatie met het democratische ‘project’ en de eraan ten grondslag liggende waarden.

Identiteit gaat niet alleen over het identificeren met iets algemeen – zoals ‘de mensheid’ of ‘Europa’ – maar gaat vaak over specifieke identiteiten met als gevolg dat er steeds sprake is van differentiatie en segregatie. Een dergelijke benadering benadrukt de voortdurende ambiguïteit van identificatie en verschil: identificeren met Vlaanderen, impliceert een tegenstelling met België; identificeren met Schotland, impliceert een tegenstelling met het Verenigd Koninkrijk, identificeren met Europa, impliceert een tegenstelling met de Verenigde Staten, enzovoorts[42]. Bovendien kan het afhangen van de context of we onszelf identificeren met een nationale of een supra-nationale gemeenschap. Dit is vooral van belang om een empirisch begrip te krijgen van wat we hierboven de dual-identity thesis genoemd hebben die ingaat op de vraag onder welke omstandigheden en op welke manieren het mogelijk is om te identificeren met de eigen (lokale, regionale, nationale, culturele, politieke, ethnische, gegenderede identiteiten) en tegelijkertijd met het Europese democratische project en de onderliggende waarden. Zo’n benadering is vooral interessant om de discussie over immaterieel cultureel erfgoed niet louter te richten op het verleden, maar ook aandacht te besteden aan de manier waarop cultureel erfgoed nu werkt in relatie tot democratische identificatie en wat, tegen de achtergrond van dit alles het kan betekenen om effectief het erfgoed van de toekomst te creëren en hoe dit precies kan bijdragen aan het stimuleren en verdiepen van een verlangen naar democratisch samenleven in pluraliteit.

Als democratie niet het vestigen van een gedeelde identiteit is maar allereerst een identificatie met de onderliggende waarden van vrijheid, gelijkheid en solidariteit vereist, dan is het de vraag welke rol materieel en immaterieel cultureel erfgoed hierin kunnen spelen. Daarbij doen zich een aantal spanningen voor. Eén is dat het erfgoed vaak uitdrukking van een specifieke identiteit is – bijvoorbeeld nationale identiteit, of regionale, of religieuze of etnische – en dat democratische identificatie juist vraagt om ‘voorbij’ zulke specifieke identiteiten tot een identificatie met het democratische ‘project’ te komen. Dit zou kunnen impliceren dat erfgoed – materieel en immaterieel – juist geen bijdrage kan leveren aan het Europese democratische project omdat het gefocust blijft op de articulatie van pluraliteit in plaats van op de democratische omgang daarmee. Of dit zo is, is een belangrijke theoretische en empirische vraag. De suggestie die we in dit verband willen doen is om de blik te verruimen van het verleden naar de toekomst, en daarbij de vraag te stellen wat het zou kunnen betekenen om nu te werken aan de creatie van het erfgoed van de toekomst, waarbij die toekomst expliciet als democratische toekomst wordt begrepen. Specifiek zien we hier een belangrijke rol weggelegd voor hedendaagse kunst en hedendaagse artistieke praktijken, met name voor het vormgeven, thematiseren en problematiseren van het toekomstige culturele erfgoed[43]. We menen dat hier voor de relatie tussen immaterieel cultureel erfgoed en diversiteit een aantal belangrijke opportuniteiten liggen. We lichten dit spoor in de volgende twee secties nader toe.

Het potentieel van cultureel erfgoed: het verbinden van verleden, heden en toekomst.

De voorgaande analyse laat ons toe om terug te keren met specifieke vragen over immaterieel cultureel erfgoed en diversiteit. We hebben laten zien dat in recente discussies cultureel erfgoed wordt benaderd als een mogelijke bron voor het overwinnen van de huidige EU-crisis. Terwijl in de literatuur die crisis in termen van sociale cohesie en gedeelde identiteit wordt begrepen, stellen wij voor die crisis allereerst als een crisis van de democratie op te vatten. Het Europese democratische project is onder druk komen te staan, deels door de opkomst van nationalistische en populistische bewegingen en deels als gevolg van de economische crisis, waardoor ook het centrale democratische principe van solidariteit onder druk is komen te staan.

Wij menen dus dat het van belang is om een meer concrete vraag stellen naar het potentieel van immaterieel cultureel erfgoed voor het promoten en ondersteunen van identificatie met het (Europese) democratische project en haar onderliggende waarden van vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Het gaat daarbij dus niet om het bereiken van een gedeelde identiteit, maar eerder over de voortdurende onderhandeling tussen een veelheid aan lokale, regionale, nationale, sub- en supranationale, etnische, religieuze, sociale en gegenderde identiteiten binnen een ruimere democratische identificatie. De mogelijke functie van immaterieel cultureel erfgoed is daarom niet om bestaande identiteiten te overstijgen om zo tot een gedeelde identiteit te komen, maar eerder om de veelheid aan bestaande identiteiten in een democratisch perspectief te plaatsen met als doel het bereiken van een positieve identificatie met de bepalende waarden van democratie, of, meer concreet, om een verlangen naar democratisch samenleven in pluraliteit en diversiteit te stimuleren.

Er is dus nood aan aandacht voor de complexiteit van dit proces en de bijdrage die immaterieel cultureel erfgoed daar aan kan leveren[44]. De centrale vraag is dus niet hoe (immaterieel) cultureel erfgoed kan bijdragen aan een gemeenschappelijke identiteit, maar hoe het kan bijdragen aan identificatie met het democratische project vanuit een breed gamma aan identiteiten. De vraag is met andere woorden hoe en op welke manieren immaterieel cultureel erfgoed kan bijdragen aan het koesteren van een verlangen naar het democratische project van samenleven in pluraliteit.[45]

Wanneer we vertrekken van de definitie over cultureel erfgoed uit de Vlaamse visienota, dan lezen we: “Erfgoed zijn die cultuuruitingen die groepen of (erfgoed)-gemeenschappen benoemen als dingen die vandaag nog steeds waardevol zijn. ‘Nog steeds waardevol zijn’ betekent dat die dingen in het verleden een betekenis hadden en ook nu nog een rol – dat is vaak, en mag ook, een andere zijn dan in het verleden – kunnen spelen, ze vandaag nog een functie of betekenis hebben, en die men waardevol genoeg acht om door te geven aan toekomstige generaties”[46]. Hoewel we sympathie hebben voor de gedachte dat cultureel erfgoed in al haar vormen en manifestaties zou kunnen kan bijdragen aan het aanpakken van maatschappelijke problematieken (zoals de EU-crisis), is het van belang om te erkennen dat net omdat cultureel erfgoed vaak gepercipieerd wordt als iets is uit het verleden, dat het net zowel het probleem als een deel van de oplossing kan zijn. Met deel uitmaken van het probleem bedoelen we dat veel erfgoed in Europa net een expressie is van de manifestatie van de veelheid van identiteiten binnen en doorheen Europa. Om het anders te stellen: een focus op het verleden van Europa en de sporen van dit verleden in cultureel erfgoed zal niet noodzakelijk leiden tot een harmonieuze democratische geschiedenis, maar zal eerder een complexiteit en veelheid aan conflicterende identiteiten blootleggen.

De visienota stelt verder: “Iets tot erfgoed benoemen is afhankelijk van het waardepartoon van een gemeenschap. De groepsnorm is vaak het legitimerende. ‘Erfgoed’ is bijgevolg geen vaststaand feit. Echt objectieve parameters om iets als erfgoed te labelen zijn er vaak niet. Een ‘groep’ vindt iets de moeite waard om te bewaren omdat hij er zich mee identificeert en zijn identiteit ermee vorm geeft en construeert. De groep koestert het erfgoed en plaatst het ‘onder zijn bescherming’. Hij wil dat het doorgegeven wordt.”[47] Van belang is dus niet de “correcte” representatie van het verleden maar het bieden van opportuniteiten voor een reflectief engagement met het verleden, en meer bepaald een engagement dat democratie als referentiekader neemt.[48] De vraag is hoe dergelijk engagement een positieve identificatie kan bewerkstelligen met het idee en ideaal van democratie in het algemeen en het democratische project van Europa in het bijzonder.

Twee zaken zijn hierbij van belang. Eén is de zogenaamde contact-hypothese die in twee richtingen kan werken, namelijk dat contact met andere culturen en groepen niet noodzakelijk resulteert in meer positieve en democratische relaties maar ook preconcepties en vooroordelen kan versterken. Het tweede is het feit dat betere kennis en beter begrip van andere culturen en groepen zich niet noodzakelijk vertaalt in een verschillende attitude en engagement ten aanzien van dergelijke groepen. Begrip, zelfs in de vorm van empathie, leidt niet uit zichzelf tot meer democratische attitudes en acties. Daarom verdient ook het stimuleren van een verlangen naar democratie een bijzondere aandacht, en we kunnen er niet van uitgaan dat dit automatisch volgt vanuit contact met, begrip van en empathie met andere culturen en groepen. Het is daarom van belang deze complexiteit duidelijk in beeld te brengen.[49]

Zoals we hierboven reeds stelden, is erfgoed vaak uitdrukking van een specifieke identiteit en vraagt democratische identificatie juist om voorbij zulke identiteiten te gaan en te komen tot een identificatie met het democratische project. Eerder dan immaterieel cultureel erfgoed daarom zomaar weg te zetten als ‘ongeschikt’ voor de democratische zaak, pleiten we er dus voor om de focus te verbreden en naast een accent op het verleden de blik ook expliciet op de toekomst te richten en daarbij de vraag te stellen wat het vandaag zou kunnen betekenen om te werken aan de creatie van het erfgoed van de toekomst; dit is de idee van cultureel erfgoed-in-wording.[50] Hier zien we ook een belangrijke rol weggelegd voor hedendaagse kunst en hedendaagse artistieke praktijken in het vormgeven, thematiseren en problematiseren van het toekomstige culturele erfgoed[51]. We menen dat hier specifiek voor de relatie tussen immaterieel cultureel erfgoed en diversiteit een aantal belangrijke opportuniteiten liggen. Dit perspectief roept echter een aantal belangrijke vragen op: Hoe kan kunst ruimte creëren voor het bevragen van de effecten van verscheidenheid in de hedendaagse maatschappij? Hoe kan kunst een andere taal en verbeelding creëren om cultuurverschil te problematiseren en (Europese) identiteit vanuit een democratisch perspectief te thematiseren?

Conclusie

Veel van het theoretisch en empirisch onderzoek naar cultureel erfgoed stelt identiteit centraal en vaak wordt vertrokken van de premisse dat erfgoed kan bijdragen aan het leren kennen van andere culturen en op die manier het samenleven met anderen kan bevorderen. Dit impliceert een maatschappelijk project dat afhankelijk is van de ontwikkeling van een gedeelde identiteit, dat bovendien afhankelijk is van het ‘begrijpen’ van andere culturen en dat erfgoed – vaak met een focus op het verleden – hier een belangrijke bijdrage toe kan leveren. Dit artikel kan gelezen worden als een kritiek op de manier waarop (immaterieel) cultureel erfgoed de laatste jaren in beeld is gekomen in relatie tot Europese crisis en de aanpak ervan. Cultureel erfgoed wordt daarbij vaak ‘geinstrumentaliseerd’ voor het overwinnen van de huidige EU-crisis en het stimuleren van Europese ‘sociale cohesie’ en een Europese gedeelde identiteit. Dit roept een aantal vragen op over wat een Europese identiteit zou kunnen zijn en hoe cultureel erfgoed al dan niet kan bijdragen aan de constructie van een gedeelde Europese identiteit.

Onze stelling is dat een samenhangende maatschappij niet automatisch of noodzakelijk ook een democratische maatschappij is die de waarden van vrijheid, gelijkheid en solidariteit als referentiepunten neemt om antwoorden te genereren op wat het impliceert om in een plurale of diverse maatschappij samen te leven. Dit impliceert dat democratie niet rond een enkelvoudige identiteit kan opgebouwd worden, maar dat maar dat er ruimte noodzakelijk is voor een veelheid aan verschillende en soms conflicterende identiteiten. Vanuit dat perspectief dient de vraag gesteld te worden wat het potentieel kan zijn van cultureel erfgoed om de huidige EU-crisis te ‘overwinnen’. Erfgoed wordt vaak gepercipieerd als iets uit het verleden, en daarbij staat vaak een specifieke (nationale, regionale of religieuze) identiteit centraal. Dit perspectief impliceert dus dat een ‘blik op het verleden’ een oplossing zou kunnen zijn voor de huidige Europese crisis. Wij pleiten er echter voor om deze blik te verschuiven van het verleden naar de toekomst, wat niet betekent dat cultureel erfgoed geen rol zou kunnen spelen, maar dat de veel interessantere en belangrijkere vraag is wat het betekent om vandaag te werken aan de productie van het erfgoed van de toekomst, waarbij die toekomst expliciet als democratische toekomst wordt begrepen.

Vanuit dat perspectief zien we specifiek een aantal belangrijke opportuniteiten voor de relatie tussen immaterieel cultureel erfgoed en diversiteit die binnen DiVersies naar voor geschoven worden aangezien dergelijke projecten zich niet noodzakelijkerwijs alleen richten op “processies, stoeten of andere zaken die samenhangen met de traditionele plattelandscultuur” maar ook – en vaak – op “vormen van stadscultuur, jongerencultuur of cultuuruitingen van nieuwe etnische groepen, waarvan de dragers zich mogelijk niet onmiddellijk voelen aangetrokken tot het immaterieel erfgoeddiscours van UNESCO”[52]. Daar liggen ons inziens dan ook belangrijke mogelijkheden om de discussie rondom immaterieel cultuur erfgoed meer expliciet te verbinden met en in te zetten voor de toekomst van het (Europese) democratische project.

  1. Call for Papers: Immaterieel erfgoed en culturele diversiteit, http://www.lecavzw.be/nieuws/volkskunde-lanceert-call-papers-ice-diversiteit & www.volkskunde.be (01-09-2015).
  2. Conventie betreffende de bescherming van immaterieel cultureel erfgoed (UNESCO 2003), https://en.unesco.org/creativity/sites/creativity/files/passeport-convention2005-web2.pdf
  3. J. Schauvliege, ‘Een beleid voor immaterieel cultureel erfgoed in Vlaanderen – Visienota’, faro | tijdschrift over cultureel erfgoed 3, 2010, p. 4-29.
  4. Dit contrast wordt ook nog versterkt door de vaststelling dat globale online netwerken in toenemende mate eerder tot verdeling dan tot verbinding kunnen leiden.
  5. Schauvliege, Visienota, p. 6.
  6. Zie bijvoorbeeld: http://www.immaterieelerfgoed.be
  7. Horizon 2020 The EU Framework Programme for Research and Innovation, https://ec.europa.eu/programmes/horizon2020/ (01-09-2015).
  8. REFLECTIVE-2-2015 - Emergence and transmission of European cultural heritage and Europeanisation, https://ec.europa.eu/research/participants/portal/desktop/en/opportunities/h2020/topics/2088-reflective-2-2015.html (01-09-2015).
  9. O. Calligaro, ‘From ‘European cultural heritage 'to ‘cultural diversity'?’, Politique européenne 45:3, p. 60-85.
  10. S. Macdonald, Memorylands: heritage and identity in Europe today. London/New York, 2013.
  11. Dit kan gelinkt worden aan de cenrale vraagstelling van DiVersies naar online collecties van culturele instellingen als (toekomstige?) plek voor dekoloniale en intersectionele praktijken.
  12. Emergence and transmission of European cultural heritage and Europeanisation, https://ec.europa.eu/research/participants/portal/desktop/en/opportunities/h2020/topics/2088-reflective-2-2015.html (01/09/2015).
  13. Ibidem (nadruk toegevoegd)
  14. Ibidem
  15. Council Conclusions of 21 May 2014 on Cultural Heritage as a Strategic Resource for a Sustainable Europe, https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/educ/142705.pdf (01/09/2015).
  16. Ibidem, p. 2 (Nadruk toegevoegd)
  17. Ibidem, p. 2 (Nadruk toegevoegd)
  18. Getting cultural heritage to work for Europe, http://ec.europa.eu/culture/news/2015/0427-heritage-2020_en.htm (31/05/2015).
  19. Hier zijn ook mogelijkheden voor burgerparticipatie door digitalisering, hoewel dit ook kritisch bevraagd dient te worden.
  20. zie bijvoorbeeld S. Macdonald, Memorylands: heritage and identity in Europe today. London/New York, 2013.
  21. Zie bijvoorbeeld J. Habermas, The crisis of the European Union: A response. Cambridge, 2012.
  22. T. Kuhn en F. Stoeckel, ‘When European integration becomes costly: The euro crisis and public support for European economic governance’, Journal of European Public Policy 21:4, 2014, p. 624-641.
  23. M. Paskov en C. Dewilde, Income Inequality and Solidarity in Europe. Amsterdam, 2012 [GINI Discussion Paper 33]
  24. Zie Y. Stavrakakis, ‘The return of ‘the people’: Populism and anti-populism in the shadow of the European crisis’, Constellations 21.4, 2014, p. 505-517.
  25. Geciteerd in Ibidem, p. 510.
  26. T. Risse, ‘No demos? Identities and public sphere in the Euro crisis’, Journal of Common Market Studies 52.6, 2014, p. 1207-1215.
  27. Ibidem
  28. Het mag duidelijk zijn dat deze ‘problematiek’ de voorbije jaren alleen maar urgenter en veel problematischer geworden is.
  29. Stavrakakis, Populism.
  30. Lasch geciteerd in Stavrakakis, Populism, p. 511.
  31. Stavrakakis, Populism.
  32. Ibidem
  33. Zie bijvoorbeeld J, Bruhn, The group effect: Social cohesion and health outcomes, Dordrecth/Boston, 2009.
  34. Zie bijvoorbeeld G. Tagiuri, ‘Forging Identity: The EU and European Culture’. Survival 56:1, 2014, p. 157-178.
  35. G.J.J. Biesta, ‘Learning in public places: Civic learning for the 21st century’. In G.J.J. Biesta, M. de Bie en D. Wildemeersch (Red), Civic learning, democratic citizenship and the public sphere, Dordrecht/Boston, 2013, p. 1-11.
  36. D. Marquand, Decline of the public: The hollowing-out of citizenship, Cambridge, 2014.
  37. T. Szkudlarek (Red.), Education and the Political: New Theoretical Articulations, Rotterdam, 2013.
  38. C. Mouffe, On the political, London, 2005.
  39. Ibidem
  40. C. Mouffe, The return of the political, London/New York, 1993.
  41. G.J.J Biesta, ‘How to exist politically and learn from it: Hannah Arendt and the problem of democratic education’. Teachers College Record 112:2, 2010, p. 558-577.
  42. K. Rutten, A. Mottart en R. Soetaert, ‘The rhetorical construction of the nation in education. The case of Flanders’, Journal of Curriculum Studies 42:6, p. 775-790.
  43. Wat uiteraard centraal staat binnen het project van DiVersies.
  44. Dit sluit aan bij DiVersies in het algemeen en concreet bij het project van Cristina Cochior The Weight of Things https://di.versions.space/the-weight-of-things/index.html
  45. Szkudlarek, Nations and Children.
  46. Schauvliege, Visienota, p. 7.
  47. Schauvliege, Visienota, p. 8.
  48. I. Braendholt Lundgaard en T.J. Jacob (Red.), Museums, Social Learning Spaces and Knowledge Producing Processes, Copenhagen, 2013.
  49. A. De Oliveira , V. Andreotti, G.J.J Biesta en C. Ahenakew, ‘Between the nation and the globe: Education for global mindedness in Finland’, Globalisation, Societies and Education, in druk.
  50. Zie ook L. Meijer-van Mensch en E. Tietmeyer. Participative Strategies in Collecting the Present,Berlin, 2013.
  51. Voor een uitgebreide bespreking, zie K. Rutten, A van. Dienderen en R. Soetaert, ‘Revisiting the ethnographic turn in contemporary art’, Critical Arts. South-North Cultural and Media Studies, 27:6, 2013, p. 627-640.
  52. Call for Papers: Immaterieel erfgoed en culturele diversiteit, http://www.lecavzw.be/nieuws/volkskunde-lanceert-call-papers-ice-diversiteit & www.volkskunde.be (01-09-2015).